Om het onvermijdelijke zo lang mogelijk uit te stellen, hol ik elke zondag vanuit mijn dorp naar het natuurgebied verderop.

Eerst komt het kale stuk. Rechte stukken, ruilverkavelde weilanden en af en toe een boerderij.

Hier is altijd veel weer. Een zuchtje wind wordt op deze vlakte een storm. Als het warm is, zoals vandaag, gutst het zweet op het asfalt dat naar Twente voert. Dat was de bedoeling, dus ik ploeter door. Op naar de heuvels. Naar de bossen waar ik me Asterix waan, of op een slechte dag Obelix. Dat zijn niet mijn woorden, maar van Adrianus Pronk, de vermaarde dichter/componist/musicus uit mijn dorp. Pronk eet geen vlees meer sinds zijn bijbaantje in de knakworstenfabriek.  

Terwijl de glaciale stuwwal langzaam dichterbij komt, kom ik langs de boerderij van lui die ik zijdelings ken. Hun zoon en onze dochter zijn van dezelfde leeftijd. Achttien jaar geleden reden we samen naar de pufcursus. Hardwerkende, vrolijke mensen zijn het, die op een eerlijke manier de kost verdienen. De zoon doet de landbouwschool en wil de boerderij overnemen. Dat hoefde echt niet, vertelt zijn moeder, maar hij wil zelf niets liever. Toen de wens opbloeide, lagen de weilanden nog gewoon naast de Eelerberg. Nu boeren ze misschien wel naast een rode vlek in een beleidsplan. Wat zullen ze in de rats zitten.

Nog geen vijftig meter verder zie ik het nieuwe platteland. Tussen de laatste boerderij en het natuurgebied is onlangs een hypermoderne villa gebouwd. Van zwart, isolerend kunststof, met elektrische auto’s voor de deur en een warmtepomp op het grasveldje. Op de brede sloot voor de doorzonvilla schaatsen we in strenge winters. Onze kinderen plonzen er op zomeravonden in de plomp.

Daarachter begint de kwetsbare natuur. Ik vind het lastig om te bepalen hoe het daarmee gaat. De heide stond vorig jaar supermooi in bloei. En ik zie marters, eekhoorns en reeën. Maar volgens wetenschappers is het allemaal niet best. En die geloof ik.

Op de bospaden is het rustig. De boerenzonen die hun stress eruit willen fietsen op hun mountainbikes zijn niet meer welkom. Op hun dikke banden rijden ze kennelijk te vaak over zandhagedissen en hazelwormen. Lopen mag nog wel, al vermoed ik dat ik de habitat harder verstoor dan de fietsers, met mijn hardloopstijl. Ook vandaag springen er weer omstanders de bosjes in, omdat ze denken dat er een paard aan komt.

Onze boeren zijn inderdaad de beste, denk ik, maar dat is nou net het hele probleem.

Om het onvermijdelijke zo lang mogelijk uit te stellen, hadden de boeren jarenlang goede vrienden. Conservatieve bestuurders, een grote bank, een machtige brancheorganisatie, de landbouwindustrie, lobbyisten. Samen lukte het hen nog knap lang om harde ingrepen uit te stellen. Dat ging gepaard met een gekmakende regeldruk. Want bij elk te ver door-ontworpen systeem krijg je dat er gratis bij. Een Groningse boerenpoliticus van de christendemocraten omarmde samen met wat opportunistische sociaaldemocraten in 2009 een regeling waardoor boeren nog jarenlang op de pof konden leven. Een rechter maakte er drie jaar geleden gehakt van.

De boeren roepen al tijden om duidelijkheid. Nu is die duidelijkheid er en valt het tegen. De weerstand is groot. Als ik thuiskom na het hardlopen, gaat het in Buitenhof over een VVD-congres. Een krappe meerderheid van de partijleden wil dat hun eigen minister haar stikstofplannen aanpast. Erg solidair zijn ze niet. Op hetzelfde congres namen de liberalen een motie aan omdat ze zo graag weer met 130 kilometer per uur over de Veluwe willen rijden.   

Nog nazwetend van mijn ongelijke strijd tegen het onvermijdelijke, slinger ik de laptop aan. Op sociale media gaat het los. Iemand toont een wereldkaart met een piepklein geel stipje. Dat stipje is Nederland. ‘En hier gaan we ons netjes aan de stikstofregels houden’, staat eronder; het argument van de druppel-op-de-gloeiende plaat. Iemand anders schermt juist met een landkaart waarop de veestapels staan ingetekend als bergen. Nederland is een Matterhorn. ‘Nederland heeft de beste boeren ter wereld. Blijf er vanaf’, meldt een rechtse politicus. Hun geluid is altijd aantrekkelijk in een crisis. Ontken het probleem en roep dat alles bij het oude moet blijven. Onze boeren zijn inderdaad de beste, denk ik, maar dat is nou net het hele probleem.

Dat probleem verdwijnt niet door het te negeren. Het is er ook al even. De Club van Rome kwam al in 1966 bijeen. Milieuschade van intensieve veeteelt is niet fictief. En die gelauwerde efficiency heeft lelijke kanten. Yvon Jaspers komt nooit bij varkenshouders en kippenboeren. Dat heeft een andere reden dan hun liefdesleven. Met mijn achternaam heb ik wel eens uitgezocht waarom Nederland zoveel kippen telt en zo weinig hanen. Dat is geen fijn verhaal. Denk aan fluffige kuikentjes en een versnipperaar.

Twitteraars slepen er intussen van alles bij. Sommigen schetsen het angstbeeld van vrachtwagens vol militairen die boeren komen oppakken in razzia’s. De bruinhemden, hengelend naar stemmen van wanhopige boeren, krijgen het voor elkaar om ook dit probleem te wijten aan vluchtelingen. Weer anderen roepen dat elke boer miljonair is. Klinkklare onzin. Ze bezitten wat stenen en een lap grond, maar dat geld is niet besteedbaar. Een gemiddeld boerengezin heeft 35 duizend euro op de spaarrekening staan, wijst onderzoek uit.

En terwijl ik feiten van fictie probeer te scheiden, denk ik aan de machteloze mensen over wiens hoofden het debat wordt gevoerd. Wat moet je met al dit geblaat als jouw levenswerk in puin dreigt te vallen? Als de familieboerderij, opgebouwd door verre voorvaderen, onder jouw hoede het loodje legt? Als de droom van jouw zoon op het spel staat?

Als je wat te zeggen hebt over dit dossier, hoe je er ook over denkt; het is een heilige plicht om je te verplaatsen in die mensen. Niet eventjes en dan weer terug naar de rapporten of de zetelpeilingen, nee, de hele tijd. Laat valse hoop maar zitten. Ik hoop op echte solidariteit.

Maar eerst krijgen we een hoop ellende. Wat ik je brom.

Join the conversation!

  • Ik liep niet lang geleden op Terschelling door het bos. De ammoniakwaarde is daar volgens een kaartje in de Volkskrant gisteren het laagst van Nederland. Startbanen, bouwverkeer, snelwegen waarop 130 km/u wordt gereden en varkensstallen: je zoekt het allemaal tevergeefs op Terschelling. Toch zag ik de beruchte lange rijen, hoog opgestapelde boomstammen. Omgezaagd, want biodiversiteit gaat vóór weelderige natuur. Verderop waren graafmachines mooie stukken natuur met bruut geweld aan het afgraven. Moet schrale grond worden. Vanwege wat orchideeën, waar we kennelijk wèl zuinig op zijn.

    Stikstof is een hoax. Net als de B2.12 variant van omikron. Nóg besmettelijke, nóg minder ziekmakend, maar wee je gebeente als je iets inbrengt tegen de zorgelijke blik van dr. Death, inmiddels tot het hoogste ambt geroepen.

    Ik heb mijn hele jeugd naast de Peel gewoond. In de klas zaten boerenjongens van de varkenshouderij, steevast reden ze vanaf hun achttiende in hun eerste Mercedes. Geen norrmale Limburger heeft veel affiniteit met één van beide. Niet met de Peel, het saaiste landschap wat je je kunt voorstellen. Die zandhagedissen heb ik nooit gezien, maar ze zijn talrijk van de Noordzee tot Kamtsjatka, en dan van noord tot zuid. Maar ook geen affiniteit met die boeren. Werkgelegenheid minimaal, maatschappelijke relevantie idem.

    Wat mij betreft kunnen ze het bekijken in Brussel. Ik geloof niet dat ze er verstand van hebben. Met hun Natura 2000 diktaat. We doen met Europa wat iedereen doet, van Zweden tot Griekenland, en van het VK tot Hongarije: leuk als ze iets nuttigs bedenken, maar even vaak is er een goede reden voor eigen nationaal beleid.

    Dat zou zomaar ineens 25 miljard kunnen vrijspelen voor grotere problemen dan het zandhagedisje of die paar orchideeën op Terschelling.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.