Met kleine hardlooppasjes begin ik aan de beklimming van de Hellendoornse berg. Mijn armen maken hakkende bewegingen, de hartslag giert omhoog, het zweet parelt over mijn rug. Achter me klinkt een opgewekt belletje.

Een mountainbiker, malend als een koffiemolentje, haalt me tergend langzaam in. In het Nedersaksisch spreekt hij me aan.

  • “Foei, wat een gemartel of niet dan?”

Ik lach en geef hijgend antwoord.

“Ja man. We hadden ook thuis kunnen blijven hè?”

  • Op de bank, biertje erbij.

“Maar wij moesten weer zo nodig de fitgirl uithangen.”

  • “Haha, ja. Hey, geluk ermee.”

“Ja jij ook.”

We kennen elkaar niet. Ik, een onverdienstelijk hardloper, heb met mountainbikers altijd van zulke gesprekjes. Met mannen en vrouwen. Even de gezamenlijke ellende delen, elkaar succes wensen en onszelf vooral niet te serieus nemen.

Hoe anders is dat met wielrenners? Die kom ik op mijn vaste rondje ook altijd tegen. Wielrenners nemen zichzelf bloedserieus. Ze komen in twee soorten. Je hebt de lone wolf en de roedel. De roedels hebben een wegkapitein. Met wegkapitein kan een wielrenploeg een hardloper binnen anderhalve centimeter passeren. Denken ze zelf. Komt een wielrenploeg mij achterop, dan hoor ik eerst een grauwende schreeuw, binnen een seconde gevolgd door voorbij zoevende wielrenners die me passeren op anderhalve centimeter.

Ik weet inmiddels: nóóit achteromkijken als je de schreeuw van een wegkapitein hoort. Als ik hardlopend over mijn schouder kijk, dan loop ik namelijk vanzelf een paar centimeter het asfalt op. Dat komt door de subtiele gewichtsverplaatsing in combinatie met de voorwaartse snelheid. Dat klinkt intelligent, maar de wegkapitein wil op zo’n moment steevast weten of ik wel goed wijs ben.

De eenlingen zijn anders: minder intimiderend en contactschuw. Als ik ze groet, wenden de meesten hun blik af. Al jaren turf ik reacties van wielrenners en mountainbikers. Ook omdat ik tijdens het hardlopen toch niets beters te doen heb. Ik zal de onderzoeksuitkomsten statistisch samenvatten.

  1. 97 procent van de wielrenners groet niet terug als ik ‘hoi’ zeg.
  2. Bij mountainbikers is dat precies andersom: 97 procent groet wel terug. Ook nemen mountainbikers vaak zèlf het initiatief om te groeten. Onverdienstelijke hardlopers groeten in 100 procent van die gevallen terug.
  3. De schaarse wielrenners die teruggroeten zijn in 75 procent van alle gevallen dorpsgenoten, familieleden of andere persoonlijke bekenden.
  4. Van alle wielrenners die teruggroeten heeft 95 procent een bel op de fiets.
  5. Van alle wielrenners die wel groeten heeft 66,6 procent de benen niet geschoren.

Raar is dat. Met fietsers op dikke banden rol ik lekker, als broeders en zusters in het zweet des aanschijns. Maar met fietsers op dunne banden is er leegte of wederzijdse ergernis. De profs schijnen wel heel benaderbaar te zijn.

Join the conversation!

  • Ik kan daar het anekdotische weerwoord op geven dat wielrenners ook niet groeten door praten maar door handopsteken. Internationaal bekend en gebruikelijk, maar bij hardlopers minder bekend blijkbaar 🙂

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.